Home (NL)
Nieuwe artikelen
Bijgewerkte artikelen
Nostradamus
Onderzoeksresultaten
Analyse kwatrijnen
Tweede Wereldoorlog
Discussieplatform
Publicaties
Lezingen
Interviews/recensies
Frans onderzoek
Web links
Contact
Gratis nieuwsbrief
Privacy / cookies
Redactioneel
top

NOSTRADAMUS, ASTROLOGIE EN DE BIJBEL
ONDERZOEKSRESULTATEN
De Brief aan Henri II: de eerste bijbelse chronologie
- T.W.M. van Berkel -

English version
 

Op deze website wordt uitvoerig aandacht besteed aan de bijbelse chronologieën die deel uitmaken van de Brief aan Henri II en de scheppingsjaren die voortvloeien uit het Voorwoord aan César, de Brief aan Henri II en een aantal Almanachs.


In het artikel dat u zojuist hebt geopend, wordt de eerste bijbelse chronologie besproken.

Andere artikelen over de bijbelse chronologieën en de scheppingsjaren:


 

Kenmerken van de eerste bijbelse chronologie
De eerste bijbelse chronologie gaat vooraf aan een serie voorspellingen waarvan de looptijd begint op 14 maart 1557 en eindigt op een moment dat in het Frans luidt: au commencement du septiesme millenaire.[1]
In de eerste bijbelse chronologie is aan de hand van bijbelse personen de periode beschreven die heeft gelopen van de schepping van Adam tot de geboorte van Jezus. Aansluitend is de duur vermeld van de periode die heeft gelopen van de geboorte van Jezus tot de stichting van de Islam. 
Aan het begin van de eerste bijbelse chronologie is vermeld dat geen gebruik is gemaakt van berekeningen van de heidenen, zoals opgetekend door Varro, maar van sterrenkundige berekeningen, gegevens die stammen uit de Heilige Schrift en "het zwakke verstand".[2] Uit de tekst van de eerste bijbelse chronologie blijkt dat de duur van de periode David - Jezus is gebaseerd op wat "talloze tijdrekenaars" hieromtrent hebben berekend. 
Aan het einde van de eerste bijbelse chronologie is vermeld dat de berekeningen zouden kunnen worden aangevochten omdat zij afwijken van die van Eusebius.[3] Daarna volgt een verwijzing naar de stichting van de Islam. Vanaf dat moment zou gemakkelijk kunnen worden nagegaan welke tijden zijn verstreken en of de berekeningen aangaande de toekomst juist zijn voor alle genoemde landen. Het jaar waarin de Islam werd gesticht, 621 AD, is niet vermeld.
De overgangen in de eerste bijbelse chronologie zijn gemarkeerd met namen van bijbelse personen. Bij de duur van elke periode, uitgezonderd die van de periode David - Jezus, staat het woord "ongeveer" (in tabel 1 is hiervoor het symbool ± gebruikt). De eerste bijbelse chronologie is niet afgesloten met een totaal; het is aan de lezer om dat te berekenen.

Tabel 1. Eerste bijbelse chronologie
(Brief aan Henri II)

Periode

Variant -a- 
(jaren)

Variant -b- 
(jaren)

Adam - Noach

 ± 1242

± 1242

Noach - Abraham

 ± 1080

± 1080

Abraham - Mozes

± 515

± 516

Mozes - David

± 570

± 570

David - Jezus

1350

1350

 

De bevindingen van dr. Christian Wöllner (1926)
De Duitse astronoom dr. Christian Wöllner heeft in Das Mysterium des Nostradamus (1926) de eerste bijbelse chronologie in het kort besproken. Hij heeft geschreven dat er geen problemen zijn geweest bij het in het Duits vertalen van de tekst van de eerste bijbelse chronologie en heeft de perioden en tijdgegevens opgesomd zoals vermeld in de Brief aan Henri II. 
Wöllner heeft niets geschreven over achtergronden van de eerste bijbelse chronologie, fouten, bronnen of verbanden met astrologische structuren. Hij heeft zijn beschrijving afgesloten met de mededeling dat de totalen van deze chronologie 4757 cq 4758 jaar zijn.[4]

 

De bevindingen van prof. Brind'Amour (1993)
Prof. Pierre Rodrigue Brind'Amour (1941-1995) heeft onderzocht welke bronnen ten grondslag zouden kunnen liggen aan de eerste bijbelse chronologie. In het hoofdstuk Chronologie de l'Ancien Testament in Nostradamus astrophile (1993a, p.171-177) heeft hij de resultaten beschreven van dit onderzoek. Brind'Amour heeft bijbelkundige bronnen besproken. In Nostradamus astrophile staat geen enkele toespeling op een onderzoek naar astrologische bronnen die op één of andere wijzen corresponderen met tijdgegevens in de eerste bijbelse chronologie.

a. De periode Adam - Noach
Bij het onderzoek naar de periode Adam - Noach is Brind'Amour ervan uitgegaan dat de aanduiding "Noach" betrekking heeft op diens leeftijd bij het uitbreken van de Zondvloed. Op grond van Genesis 7,11 heeft hij aangenomen dat Noach bij het uitbreken van de Zondvloed 600 jaar oud was.[5]
Brind'Amour heeft de opgegeven duur van de periode Adam - Noach, 1242 jaar, vergeleken met tijdgegevens in de Septuagint in Genesis 5 en Genesis 7 en heeft geconstateerd dat de periode Adam - Begin Zondvloed volgens deze bijbelboeken 2242 jaar heeft geduurd, een duur die ook is aangehouden door Eusebius.
De Franse tekst van de beschrijving van de periode Adam - Noach luidt: le premier homme Adam fut deuant Noë enuiron mille deux cens quarante deux ans. (vert.: Adam, de eerste mens, bestond ongeveer duizend tweehonderd tweeënveertig jaar voor Noach). Op grond van de tijdgegevens in de Septuagint en de aanname van Eusebius heeft Brind'Amour gesteld dat in de tekst van de Brief aan Henri II die in omloop is gekomen, het woord deux is weggevallen en dat de tekst oorspronkelijk kan hebben geluid: le premier homme Adam fut deuant Noë enuiron deux mille deux cens quarante deux ans (vert.: Adam, de eerste mens, bestond ongeveer tweeduizend tweehonderd tweeënveertig jaar voor Noach).[6]
Het is niet altijd mogelijk om op basis van tijdgegevens en leeftijdgegevens in de Bijbel te komen tot een exacte chronologie van personen en gebeurtenissen. In een aantal verzen staan tijdgegevens die strijdig zijn met tijdgegevens in andere verzen aangaande corresponderende perioden. In andere gevallen kunnen bewoordingen aangaande tijdgegevens op verschillende manieren worden uitgelegd. In Nostradamus astrophile heeft Brind'Amour hierover niets geschreven, wat overigens niet wil zeggen dat hij tijdens zijn onderzoek dit soort strijdigheden en uitlegmogelijkheden niet heeft gesignaleerd.
Een voorbeeld van strijdige informatie die op meerdere manieren kan worden uitgelegd,  is de leeftijd van Noach ten tijde van het uitbreken van de Zondvloed en ten tijde van zijn overlijden. In Genesis 7,6 staat dat Noach 600 jaar was toen hij met zijn familie en de dieren intrek nam in de ark. In Genesis 7,10 staat dat het intrek nemen zeven dagen heeft geduurd. In Genesis 7,11 staat dat de wateren over de aarde kwamen op de zeventiende dag in de tweede maand van Noachs zeshonderdste levensjaar. De vermelding "zeshonderdste levensjaar" impliceert dat hij bij het uitbreken van de Zondvloed 599 jaar was. In Genesis 8,13 staat dat de wateren waren opgedroogd op de eerste dag in de eerste maand in het zeshonderd en eerste jaar. De vermelding "zeshonderd en eerste jaar" impliceert dat Noach ten tijde van het einde van de Zondvloed 600 jaar was. In Genesis 9,28-29 staat dat Noach na de Zondvloed nog 350 jaar leefde en op 950-jarige leeftijd stierf. Dit sluit aan op de leeftijd van Noach, vermeld in Genesis 8,13. Als de woorden "na de Zondvloed" worden uitgelegd in de zin van "na het uitbreken van de Zondvloed", sluit het leeftijdgegeven in Genesis 9,28-29 aan bij Genesis 7,6.
Ondergetekende combineert Genesis 7,6, waarin staat dat Noach 600 jaar was toen de Zondvloed uitbrak, met Genesis 5,32, waarin staat dat Noach 500 jaar was toen hij Sem verwekte, en houdt voor de periode Noach - Begin Zondvloed op grond van deze verzen 600 jaar aan. 

Tabel 2. Septuagint: Periode Adam - Begin Zondvloed
(Van Berkel, 2005)
 
[7]

Septuagint

Periode

Jaren

Genesis 5,3

Adam - Seth

230

Genesis 5,6

Seth - Énos

205

Genesis 5,9

Énos - Cainan

190

Genesis 5,13

Cainan - Malalehel

170

Genesis 5,15

Malalehel - Iared

165

Genesis 5,18

Iared - Énoch

162

Genesis 5,21

Énoch - Mathusalem

165

Genesis 5,25

Mathusalem - Lamech

167

Genesis 5,28

Lamech - Noach

188

Genesis 7,6

Noach - Begin Zondvloed

600

Totaal

2242

 

b. De periode Noach - Abraham
Volgens de eerste bijbelse chronologie heeft de periode Noach - Abraham ongeveer 1080 jaar geduurd. Brind'Amour heeft hierbij aangetekend dat deze duur 10 jaar verschilt met de 1070-jarige duur van de periode Arphaxad - Abraham in Genesis 11 in de Griekse versie van de Septuagint en heeft volstaan met het signaleren van dit verschil.[8] 
Bij zijn berekening van de duur van de periode Noach - Abraham op basis van tijdgegevens in de Septuagint heeft Brind'Amour de periode Begin Zondvloed - Arphaxad buiten beschouwing gelaten. Dit is om twee redenen merkwaardig. Ten eerste heeft de periode Adam - Noach volgens Brind'Amour gelopen van de schepping van Adam tot het begin van de Zondvloed. Men zou verwachten dat hij bij het verifiëren van de opgegeven duur van de periode Noach - Abraham zou beginnen met verificatie vanaf het begin van de Zondvloed, niet vanaf een geboorte die plaatsvond na de Zondvloed. Ten tweede heeft Brind'Amour bij het verifiëren van de in de tweede bijbelse chronologie opgegeven duur van de periode Einde Zondvloed - Abraham, de door hem aan de hand van de Vulgaat berekende duur van de periode Arphaxad - Abraham (290 jaar) aangevuld met de duur van 2 jaar van de periode Einde Zondvloed - Arphaxad, vermeld in Genesis 11,10, een duur die ook is vermeld in Genesis 11,10 in de Septuagint.
[9]
De ter zake doende tijdgegevens rond de duur van de periode Begin Zondvloed - Arphaxad zijn strijdig met elkaar. In Genesis 11,10 staat dat Sem 100 jaar was toen hij Arphaxad verwekte, waarna de opmerking volgt: "twee jaar na de vloed". Door deze toevoeging klopt de opgegeven leeftijd van Sem in Genesis 11,10 niet met tijdgegevens in Genesis 5,32 en 7,6. Volgens Genesis 5,32 was Noach 500 jaar toen hij Sem verwekte. Volgens Genesis 7,6 brak de Zondvloed uit toen Noach 600 jaar was, wat betekent dat Sem al ten tijde van het uitbreken van de Zondvloed 100 jaar was en ten. Volgens Genesis 7,11 en 8,13-14 heeft de Zondvloed 1 jaar en 10 dagen geduurd. Bij het einde van de Zondvloed was Sem dus 101 jaar. De woorden "twee jaar na de vloed" betekenen "twee jaar na het einde van de Zondvloed". Bij de verwekking van Arphaxad, twee jaar na het einde van Zondvloed, was Sem dus 103 jaar. Ondergetekende houdt op grond van tijdgegevens in Genesis 5,32, 7,11, 8,13-14 en de toevoeging "twee jaar na de vloed" in Genesis 11,10 aan dat de periode Begin Zondvloed - Arphaxad 3 jaar heeft geduurd.
Volgens de Griekse tekst van de Septuagint is het totaal van de periode Arphaxad - Abraham niet 1070 jaar, zoals Brind'Amour heeft geschreven, maar 1170 jaar. Op p.173 in Nostradamus astrophile staat dat de leeftijd van Nachor bij de geboorte van Tharé 79 jaar was; in de Griekse tekst van de Septuagint staat 179 jaar. De 79-jarige leeftijd van Nachor is vermeld in de Alexandrijnse tekst van de Septuagint. In die tekst bedraagt het totaal van de periode Arphaxad - Abraham wél 1070 jaar.

Tabel 3. Periode Begin Zondvloed - Abraham, Alexandrijnse tekst Septuagint
(Van Berkel, 2005)

Septuagint

Periode

Jaren

Genesis 11,10

Begin Zondvloed - Arphaxad

3

Genesis 11,12

Arphaxad - Caïnan

135

Genesis 11,13

Caïnan - Salé

130

Genesis 11,15

Salé - Héber

130

Genesis 11,16

Héber- Phaleg

134

Genesis 11,18

Phaleg - Réu

130

Genesis 11,20

Réu - Sarug

132

Genesis 11,22

Sarug - Nachor

130

Genesis 11,24 

Nachor - Tharé

79

Genesis 11,26

Tharé - Abraham

70

Totaal

1073

 

c. De periode Abraham - Mozes
Volgens de eerste bijbelse chronologie heeft de periode Abraham - Mozes 515 of 516 jaar geduurd. Op grond van tijdgegevens in Exodus 12,40 heeft Brind'Amour de aanduiding "Mozes" opgevat als een aanduiding van het begin van de Exodus. Hij heeft een verschil van 10 cq 11 jaar geconstateerd tussen deze totalen en een door Eusebius aangehouden duur van 505 jaar.
[10] Eusebius heeft volgens Brind'Amour een tijdverloop van 430 jaar tussen de Belofte aan Abraham en de Exodus, vermeld in Galaten 3,17, gerelateerd aan tijdgegevens in Genesis 12,4 (Abrahams 75-jarige leeftijd ten tijde van de Belofte) en Exodus 12,40 (een periode van 430 jaar). Genesis 12,4 en Exodus 12,40 zouden een periode bestrijken van 505 jaar (75 + 430). Brind'Amour heeft verder gesignaleerd dat in Genesis 15,13 en Handelingen 7,6 wordt gesproken over een verblijf van 400 jaar.[11]  
Brind'Amour gaat niet in op de reden van het verschil van 10 cq. 11 jaar van de totalen in de eerste bijbelse chronologie met het door Eusebius vastgestelde totaal van 505 jaar. 
Ondergetekende heeft tijdens verificatie van de gegevens van Brind'Amour ontdekt dat Eusebius 215 jaar te weinig heeft gerekend voor het tijdverloop tussen de Belofte aan Abraham en het begin van de Exodus.  Deze rekenfout doet niets af aan het feit dat Eusebius met 505 jaar heeft gerekend en dat dit totaal in zekere mate correspondeert met de 515/516 jaar in de eerste bijbelse chronologie, maar de kwestie is de moeite waard om te bespreken, zeker gezien de grootte van het verschil, 215 jaar. In Nostradamus astrophile staat hier niets over geschreven.
In Genesis 12,4 staat dat Abraham op 75-jarige leeftijd uit Charrhan vertrok naar het land Chanaan met Sara, zijn vrouw, en Lot, zijn neef. In Genesis 12,10 staat dat zij op een zeker moment naar Egypte trokken en daar enige tijd verbleven, vanwege hongersnood in Chanaan. Tijdgegevens ontbreken. Het 430 jaar durende verblijf in Egypte waarnaar is verwezen in Exodus 12,40 is een ander verblijf dan het verblijf waarover is geschreven in Genesis 12,10. Het verblijf in Egypte waarnaar is verwezen in Exodus 12,40, begon toen Jakob, de kleinzoon van Abraham, 130 jaar oud was en met zijn familie naar Egypte reisde vanwege hongersnood, iets dat is beschreven in Genesis 47,9. De periode die loopt vanaf de geboorte van Abraham tot aan het eind van het verblijf in Egypte (het begin van de Exodus) heeft 720 jaar geduurd, 215 jaar langer dan Eusebius heeft verondersteld.

Tabel 4. Periode Abraham - Begin Exodus
(Van Berkel, 2005)

Septuagint

Periode

Jaren

Genesis 21,5

Abraham - Isaak

100

Genesis 25,26

Isaak - Jakob

60

Genesis 47,9

Jakob - Egypte

130

Exodus 12,40

Egypte - Begin Exodus

430

Totaal

720

 

d. De perioden Mozes - David en David - Jezus 
Brind'Amour heeft geen bijbelse basis kunnen ontdekken voor de in de eerste bijbelse chronologie gestelde duur van de perioden Mozes-David en David-Jezus.

 

e. Het totaal van de eerste bijbelse chronologie
Brind'Amour is tot de conclusie gekomen dat het totaal van de eerste bijbelse chronologie 5757 jaar moet zijn, waarbij hij is uitgegaan van een duur van 2242 jaar van de periode Adam - Noach. Hij heeft ook geschreven dat, als men ervan uitgaat dat deze periode 1242 jaar heeft geduurd, het totaal van de eerste bijbelse chronologie 4757 jaar is.
Bij andere auteurs heeft Brind'Amour niets kunnen vinden dat correspondeert met het totaal van 5757 jaar van de eerste bijbelse chronologie.
[12]

 

f. De stichting van de Islam en verder reikende tijdstructuren
Brind'Amour heeft de periode van 621 jaar die aansluitend op de eerste bijbelse chronologie is genoemd, niet besproken. Hij heeft ook geen berekeningen gemaakt wat betreft de tijd tot 1555, de huidige tijd en de toekomst.

 

g. Verschillen met de berekeningen van Eusebius
Aansluitend op de vermelding van de duur van de periode David - Jezus staat in de eerste bijbelse chronologie de opmerking dat de berekeningen die zijn gepresenteerd, zouden kunnen worden aangevochten, omdat zij afwijken ten opzichte van die van Eusebius. Brind'Amour heeft deze opmerking niet apart behandeld. Wel heeft hij, met het oog op het totaal aantal jaren van de eerste bijbelse chronologie (5757), aangegeven dat Eusebius het jaar 5199 vChr heeft aangehouden als scheppingsjaar.[13] 

Tabel 5. Eerste bijbelse chronologie versus Eusebius
Naar: Brind'Amour 1993a, p.171-177

Periode

Eerste bijbelse chronologie

Eusebius

Adam - Noach

1242

2242

Noach - Abraham

1080

-

Abraham - Mozes

515 / 516

505

Mozes - David

570

David - Jezus

1350

Totaal 

(Brind'Amour) 5757

 n.v.t.

Scheppingsjaar

niet vermeld

5199 vChr

 

h. Samenvatting
Brind'Amour heeft bij andere auteurs niets kunnen vinden dat correspondeert met het door hem aangehouden totaal van 5757 jaar van de eerste bijbelse chronologie, ook niet bij Eusebius, die ervan uitgaat dat de wereld is geschapen in 5199 vChr.
Bij één periode, de periode Adam - Noach, heeft Brind'Amour corresponderende bronnen gevonden: tijdgegevens in de Septuagint en berekeningen van Eusebius, waarbij hij ervan uitgaat dat in de oorspronkelijke tekst die deze periode beschrijft, deux mille deux cens quarante deux ans heeft gestaan in plaats van, zoals in de uiteindelijk in omloop gekomen tekst, mille deux cens quarante deux ans. Brind'Amour is in dit geval overgegaan tot correctie. Bij twee andere perioden, Noach - Abraham en Abraham - Mozes, heeft hij corresponderende bronnen gevonden die ongeveer tien jaar afwijken. In die gevallen heeft hij volstaan met het noemen van deze verschillen en is hij niet overgegaan tot correctie. Brind'Amour heeft geen bijbelkundige bronnen gevonden die corresponderen met de tijdgegevens van de perioden Mozes - David en David - Jezus.
Brind'Amour heeft de aanduiding "Noach" in de periode Adam - Noach opgevat als een verwijzing naar diens leeftijd bij het uitbreken van de Zondvloed.
Bij de periode Noach - Abraham zijn de tijdgegevens van de periode Arphaxad - Abraham berekend met gegevens die niet afkomstig zijn uit de Griekse tekst van de Septuagint, zoals Brind'Amour schrijft, maar uit de Alexandrijnse tekst. De verificatieberekeningen van Brind'Amour begonnen met de periode Arphaxad - Caïnan (Genesis 11,12). De duur van de voorliggende periode Begin Zondvloed - Arphaxad heeft hij niet berekend.
Bij de periode Abraham - Mozes heeft Brind'Amour aan de aanduiding "Mozes" opgevat als een verwijzing naar het moment waarop de Exodus begon. Hij verwijst naar een berekening die Eusebius heeft uitgevoerd op grond van tijdgegevens in Galaten 3,17. In dit vers staat een misrekening, waarvan de vraag is of Brind'Amour deze heeft gesignaleerd. 
In de Brief aan Henri II staat dat de eerste bijbelse chronologie is gebaseerd op de Heilige Schrift, sterrenkundige berekeningen en het "zwakke verstand". Brind'Amour heeft alleen bijbelkundige bronnen besproken. Hij heeft de eerste bijbelse chronologie niet becommentarieerd vanuit astrologisch oogpunt en heeft niet geschreven óf hij deze chronologie heeft onderzocht op astrologische bronnen. 
Naar aanleiding van de opmerking in de Brief aan Henri II over de controlemogelijkheid die het stichtingsjaar van de Islam biedt, kan worden gezegd dat Brind'Amour de eerste bijbelse chronologie niet heeft beschreven of bezien vanuit het perspectief van een tijdrekenmodel dat de wereldgeschiedenis omvat van schepping tot ondergang.

Tabel 6. De bevindingen van Brind'Amour
Naar: Brind'Amour 1993a, p.171-177

Eerste bijbelse chronologie

Brind'Amour (1993a)

Opmerkingen (Van Berkel, 2005)

Adam - Noach

In de tekst van de Brief aan Henri II die in omloop is gekomen, is mogelijk sprake van een zetfout (mille in plaats van deux mille). 
De veronderstelde oorspronkelijke tekst correspondeert met tijdgegevens in de Septuagint, die ook zijn aangehouden door Eusebius.

Brind'Amour heeft de aanduiding "Noach" opgevat als een verwijzing naar diens leeftijd bij het uitbreken van de Zondvloed. Hij heeft niets geschreven over mogelijk strijdige gegevens aangaande Noachs leeftijd in Genesis 7,6 (600 jaar) en Genesis 7,11 (599 jaar).

Noach - Abraham

De opgegeven duur van deze periode (1080 jaar) verschilt 10 jaar met tijdgegevens omtrent de periode Arphaxad - Abraham in de Griekse uitgave van de Septuagint (1070 jaar).

Brind'Amour heeft in zijn berekeningen de periode Begin Zondvloed - Arphaxad (3 jaar) niet meegenomen. 
De duur van 1070 jaar vloeit niet voort uit de Griekse tekst van de Septuagint, zoals Brind'Amour schrijft, maar uit de Alexandrijnse. 
De opgegeven duur van de periode Noach - Abraham (1080 jaar) verschilt 7 jaar met de corresponderende periode in de Alexandrijnse tekst van de Septuagint.

Abraham - Mozes

De opgegeven duur van deze periode (515 of 516 jaar) verschilt 10 of 11 jaar met een door Eusebius berekend totaal van 505 jaar. Eusebius heeft op grond van Galaten 3,17 tijdgegevens in Genesis 12,14 (75 jaar) en Exodus 12,40 (430 jaar) bij elkaar opgeteld.

Brind'Amour heeft de aanduiding "Mozes" opgevat als een verwijzing naar het begin van de Exodus (Exodus 12,40). Hij heeft niets geschreven over een rekenfout ter grootte van 215 jaar in Galaten 3,17, die door Eusebius over het hoofd is gezien.

Mozes - David; David - Jezus

Geen bijbelse bronnen gevonden.

  

Jezus - stichting Islam; perioden na stichting Islam

  

Brind'Amour heeft deze perioden niet beschreven.

 

De eerste bijbelse chronologie en de overkoepelende tijdstructuur
Brind'Amour heeft geen mogelijke verbanden besproken tussen de eerste bijbelse chronologie en de bestaansduur van de wereld. 
De totalen van de eerste bijbelse chronologie, zoals die voortvloeien uit de Brief aan Henri II (4757 en 4758 jaar), kunnen worden gerelateerd aan elementen van astrologische tijdstructuren die zijn beschreven door bijvoorbeeld de Franse kanunnik Richard Roussat in Livre de l'estat et mutation de temps (1549).
In Livre de l'estat..., dat een bewerking is van Pierre Turrels Le période c'est a dire la fin du monde (1531), voert Roussat vier tijdstructuren op waarmee hij wil aantonen dat het einde van de wereld nabij is. In de eerste structuur is de bestaansduur van de wereld gesteld op 7000 jaar en onderverdeeld in vier perioden van 1750 jaar. Roussat gaat ervan uit dat het jaar 5200 vChr het jaar is waarin Adam is geschapen. In de tweede structuur rekent hij met series van zeven "Grote Jaren", uitgaande van 5200 vChr. Een Groot Jaar is een periode van 354 jaar en 4 maanden en wordt geregeerd door een planeet. 
Volgens Roussat loopt van juni 1533 tot oktober 1587 een Groot Jaar, het voorlaatste jaar van de derde serie van zeven Grote Jaren, dat wordt geregeerd door de Maan. Van oktober 1587 tot februari 2242 loopt het laatste Grote Jaar van de derde serie van zeven, dat wordt geregeerd door de Zon. In de tijdstructuur van Grote Jaren is februari 2242 een belangrijk overgangsmoment. Dan namelijk moet, tenzij de wereld ondertussen is vergaan, een vierde serie van zeven Grote Jaren aanbreken, waarvan het eerste Grote Jaar wordt geregeerd door Saturnus.
De eerste bijbelse chronologie heeft twee totalen: 4757 en 4758 jaar. Deze totalen zijn ruwweg 2242 jaar kleiner dan de 7000 jaar duur van de wereldgeschiedenis, vermeld in de eerste astrologische tijdstructuur in Livre de l'estat... Dit leidt tot de veronderstelling dat de eerste bijbelse chronologie deel uitmaakt van een tijdstructuur waarin het bestaan van de wereld is gesteld op 7000 jaar. In deze tijdstructuur is 4757/4758 vChr het jaar waarin Adam is geschapen. Aan deze tijdstructuur kan echter niet de conclusie worden verbonden dat de wereld zal vergaan in 2242 AD. In de voorspellingen die volgen op de eerste bijbelse chronologie, wordt niet gezinspeeld op het vergaan van de wereld, maar op een toename van het aantal tegenstanders van Jezus Christus en zijn kerk.[14]

Volgens de Brief aan Henri II berusten de berekeningen rond de eerste bijbelse chronologie op de Heilige Schrift, sterrenkunde en "het zwakke verstand". De sterrenkunde, de astrologie, lijkt zichtbaar te worden in het jaartal 2242 AD, dat kan zijn ontleend aan de astrologische tijdstructuur van de Grote Jaren, zoals geformuleerd door bijvoorbeeld Roussat. Hiermee is niet gezegd dat Livre de l'estat... ten grondslag ligt aan deze passage in de Brief aan Henri II. Deze tijdgegevens kunnen even goed zijn ontleend aan publicaties van andere auteurs.

Aangaande de tweede bijbelse chronologie is mijn veronderstelling dat deze chronologie deel uitmaakt van een andere tijdstructuur, een tijdstructuur waarin het bestaan van de wereld is gesteld op 8000 jaar. In die structuur is de datum 25 april 4174 vChr aangehouden als datum waarop de wereld is geschapen. De achtste en laatste periode van duizend jaar valt samen met het Duizendjarige Rijk. Het Laatste Oordeel, waarna hemel en aarde vergaan en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen, maakt van deze structuur geen deel uit; nergens in de Brief aan Henri II is gezinspeeld op deze gebeurtenissen.[15] 

 

De Brief aan Henri II versus het Voorwoord aan César
De veronderstelling dat de eerste bijbelse chronologie deel uitmaakt van een tijdstructuur, waarin de bestaansduur van de wereld is gesteld op 7000 jaar en waarin het jaar 2242 AD het jaar is waarin de wereld vergaat, doet een vraag rijzen. Het jaar 2242 AD kan zijn ontleend aan de tijdstructuur van Grote Jaren, zoals geformuleerd door bijvoorbeeld Roussat. In die structuur is 2242 AD het jaar waarin de derde serie van zeven Grote Jaren overgaat in de vierde serie. Roussat gaat ervan uit dat 5200 vChr het beginjaar is van het eerste Grote Jaar van de eerste serie van zeven. Hij gaat niet uit van 4757/4758 vChr, waarin de eerste bijbelse chronologie begint. 
In het Voorwoord aan César is gezinspeeld op het heerserschap van de Maan over het voorlaatste Grote Jaar in de derde serie van zeven Grote Jaren en op het heerserschap van de Zon over het laatste Grote Jaar in deze serie. In de Brief aan Henri II is daarop niet gezinspeeld. Aan het einde van de Brief is gezinspeeld op "een ander heerserschap van Saturnus, die een gouden tijdvak brengt". Die passage lijkt geen rekenkundige verbanden te hebben met de eerste bijbelse chronologie, maar met de  tweede. De mogelijkheid bestaat dat het jaar 2242 AD als jaartal ten tonele is gevoerd, zonder dat de structuur van Grote Jaren erbij is betrokken.
Slechts in een klein aantal kwatrijnen is verwezen naar de Maan en de Zon in hun hoedanigheid van Heersers over Grote Jaren. Brind'Amour heeft dit soort verwijzingen alleen gevonden in kwatrijnen in de Centuriën 01 en 03, niet in de andere Centuriën.[16] De mogelijkheid bestaat dat de structuur van Grote Jaren, waarvan echo's lijken te staan in het Voorwoord aan César en een aantal kwatrijnen in de Centuriën 01 en 03, geen rol speelt in de Brief aan Henri II en de Centuriën 08, 09 en 10.

 

De looptijd van de eerste serie voorspellingen in de Brief aan Henri II
In de Brief aan Henri II staan drie series voorspellingen. De voorspellingen waaraan de eerste bijbelse chronologie voorafgaat, lopen van 14 maart 1557 (1547) tot "het begin van het zevende duizendtal" (Frans: au commencement du septiesme millenaire). Brind'Amour heeft deze woorden geïnterpreteerd als "het begin van het zevende millennium" en constateert een tegenspraak met een opmerking in het Voorwoord aan César dat men ten tijde van het Voorwoord reeds in het zevende millennium leeft.[17]
In 1999 heeft de Fransman Yves Lenoble de woorden au commencement du septiesme millenaire uitgelegd als "het begin van het jaar 7000 AM" (AM: Anno Mundi, gerekend vanaf de schepping van de wereld), overigens zonder daarbij een verband te leggen met de eerste bijbelse chronologie en haar context.[18] Uitgaande van 4757/4758 vChr als jaar waarin Adam is geschapen, is het jaar 7000 AM het jaar 2242 AD, het jaar waarin volgens de cyclus van Grote Jaren, zoals geformuleerd door Roussat, de derde serie van zeven Grote Jaren moet overgaan in de vierde serie en waarin volgens de Brief aan Henri II het aantal tegenstanders van Jezus Christus en zijn kerk sterk toeneemt.
Volgens deze veronderstellingen begint de looptijd van de eerste serie voorspellingen in de Brief aan Henri II op 14 maart 1557 (1547) en eindigt deze looptijd in (februari) 2242. De looptijd is dan bijna 685 (695) jaar.

 

De kwestie mille versus deux mille
Brind'Amour heeft gesteld dat in het geval van de duur van de periode Adam - Noach in de eerste bijbelse chronologie sprake kan zijn van een zetfout (mille in plaats van deux mille), vergeleken met tijdgegevens in de Septuagint. Als we uitgaan van een tijdstructuur waarin de wereld 7000 jaar bestaat en geacht wordt te vergaan in 2242 AD, blijken de tijdgegevens van de eerste bijbelse chronologie rekenkundig gezien te kloppen.
Eén van de verschillen tussen de eerste bijbelse chronologie en de tweede is dat de tweede bijbelse chronologie wordt afgesloten met een totaal: ongeveer 4173 jaar en 8 maanden. Op grond van dit totaal kunnen foutieve tijdgegevens in de perioden die deel uitmaken van de tweede bijbelse chronologie, tot op zekere hoogte worden gecorrigeerd. 
In de Brief aan Henri II is het totaal van de eerste bijbelse chronologie niet gegeven. Bij het verifiëren van de tijdgegevens van deze chronologie aan bijvoorbeeld de Septuagint springt de discrepantie mille / deux mille in het oog. De conclusie dat het woord deux is weggevallen, ligt voor de hand. De correctie van 1242 in 2242 kan worden doorgevoerd omdat het totaal van de eerste bijbelse chronologie niet in de Brief staat. 
Als echter de woorden au commencement du septiesme millenaire worden gelezen als "bij het begin van het jaar 7000 AM", blijkt de eerste bijbelse chronologie te worden voorafgegaan door een totaal, dat lijkt te verwijzen naar de bestaansduur van de wereld en zijn de totalen in de eerste bijbelse chronologie getalsmatig gezien correct. Zou de periode Adam - Noach 2242 jaar hebben geduurd, zoals Brind'Amour heeft verondersteld op grond van de Septuagint en Eusebius, dan was de wereld volgens de eerste bijbelse chronologie geschapen in 5757 vChr en zou de aanduiding au commencement du septiesme millenaire geen enkele betekenis hebben. Gerekend vanaf 5757 vChr zou het zevende millennium zijn begonnen in 242 AD en het jaar 7000 AM het jaar 1242 AD zijn. Het lijkt er echter op dat in dit deel van de Brief aan Henri II de wereld wordt geacht te vergaan in 2242 AD bij een bestaansduur van 7000 jaar. Terugtellend van 2242 AD, wordt 4757/4758 vChr het scheppingsjaar van Adam. Zo bezien is de vermelding mille deux cent quarante deux ans qua rekensom correct en is er geen sprake van wegvallen van het woord deux. Integendeel, als bij het samenstellen van de eerste bijbelse chronologie is uitgegaan van 2242 AD, is er sprake van een doelbewuste aanpassing van gegevens die stammen uit de Septuagint of uit berekeningen van Eusebius en wordt een opmerking van dr. Halbronn bewaarheid dat in sommige gevallen een ogenschijnlijke zetfout  een feitelijke weergave is van de bedoelingen van de schrijver.

 

Het stichtingsjaar van de Islam als ijkpunt
Vanaf het jaar waarin de Islam is gesticht (621 AD), zou gemakkelijk kunnen worden nagegaan welke tijden er zijn verstreken en of de voorspellingen juist zijn. Kennelijk fungeert het jaar 621 als ijkpunt.
P.V. Piobb heeft in 1927 gesignaleerd dat het getal 621 een belangrijke rol speelt in de eerste bijbelse chronologie: de periode Adam - Noach (1242 jaar, dat wil zeggen 2 x 621 jaar) en de periode Jezus - stichting Islam (621 jaar).[19] Uitgaande van een bestaansduur van de wereld van 7000 jaar, de schepping van de wereld in 4757/4758 vChr en het vergaan van de wereld in 2242 AD, komt het getal 621 nogmaals in beeld. In deze structuur namelijk begint het zevende millennium in 1242 AD, 621 jaar na de stichting van de Islam in 621 AD.

 

De Meern, 10 en 19 april 2005
T.W.M. van Berkel

 

Noten
De titels, de plaats en het jaar van uitgifte van de publicaties van de in deze noten genoemde auteurs staan in de bibliografie.

  1. Facsimile-Chomarat-2000, p.155. In de editie-Amsterdam-1668 staat niet 14 maart 1557, maar 14 maart 1547. [tekst]

  2. Varro: Marcus Terentius Varro (116 vChr - 27 vChr), vooraanstaand Latijns geleerde, schrijver en dichter. In zijn belangrijkste werk, het 41 delen tellende Antiquitates rerum humanarum et divinarum, heeft hij de cultuur- en godsdienstgeschiedenis behandeld. [tekst]

  3. Eusebius: Eusebius van Caesarea (± 265 - 339), bijgenaamd: Vader van de Kerkgeschiedenis. Eusebius is de schrijver van de Chronicorum, een geschiedkundig werk, waarvan boek 2 is vertaald door Hiëronymus (Sophronius Eusebius Hiëronymus, 331 [347] - 419 [420]). In 1483 verscheen deze vertaling in Venetië onder de titel De temporibus (Gruys, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, aan Van Berkel, 29 augustus 2002). In Livre de l'estat... is op p.95 verwezen naar De temporibus[tekst]

  4. Wöllner, p.10. [tekst]

  5. Brind'Amour 1993a, p.173 en 175. In de Brief aan Henri II is de periode Noach - Abraham als volgt beschreven (facsimile-Chomarat-2000, p.157): Apres Noë, de luy & de l'vniuersel deluge, vint Abraham enuiron mille huictante ans [...] (vert.: Ongeveer duizendtachtig jaar na Noach en de algemene zondvloed kwam Abraham [...])  [tekst]

  6. Brind'Amour 1993a, p.173. [tekst]

  7. In dit artikel zijn twee online-uitgaven van de Septuagint gebruikt, waarin de door Sir Lancelot C.L. Brenton in 1851 gemaakte vertaling staat van de Griekse uitgave van de Septuagint: The Septuagint LXX: Greek and English en The Septuagint Bible Online. In de tabellen 2 en 3 staan de namen van de aartsvaders die Brind'Amour heeft gebruikt. [tekst]

  8. Brind'Amour 1993a, p.173. [tekst]

  9. Brind'Amour 1993a, p.175. [tekst]

  10. Brind'Amour 1993a, p.173-174. [tekst]

  11. Brind'Amour 1993a, p.173-174. Brind'Amour heeft geschreven dat sommigen ervan uitgaan dat Abraham ten tijde van de Belofte 76 jaar was. Dit zou de verklaring kunnen zijn voor het feit dat voor de periode Abraham - Mozes twee duren zijn opgegeven: 515 en 516 jaar.  [tekst]

  12. Brind'Amour 1993a, p.174. [tekst]

  13. In Le période c'est a dire la fin du monde heeft Turrel zich wat betreft het scheppingsjaar (5200 vChr) gebaseerd op berekeningen van zijn landgenoot Bede en op die van Eusebius (Brind'Amour 1993a, p.193). In Livre de l'estat... staat op p.68 de zin: ainsi que dit Bede en ses vers vulgaires: lesquelz ay bien voulu icy reciter & son tels: Vnum tolle, datis ad milia quinque ducentis, Nascenti Domino totdat Beda a prothoplausto. Ce sont, du commencement du Monde, 5199. Er is op deze pagina geen verwijzing naar Eusebius. [tekst]

  14. ...qui sera apres au commencement du septiesme millenaire profondement supputé, tát que mon calcul astronomique & autre scauoir s'a peu estédre,oú les aduersaires de Iesus Christ & de son eglise, commenceront plus fort de pulluler... (facsimile-Chomarat-2000, p.155). [tekst]

  15. Van Berkel: De tweede bijbelse chronologie. [tekst]

  16. Brind'Amour heeft in de kwatrijnen 01-25, 01-48, 01-56, 01-62 en 03-97 verwijzingen gevonden naar de Maan en de Zon in hun hoedanigheid van Heersers van Grote Jaren (Brind'Amour 1993a, p.193-195). In zijn uitleg van kwatrijn 03-92 schrijft hij over "het zevende millennium, geregeerd door de Maan" en het achtste millennium (waarvan hij zich afvraagt of dat begint in 1800 AD), dat volgens hem wordt gemarkeerd door de terugkeer van Saturnus en een gouden tijdvak (Brind'Amour 1993a, p.194, en 1996 [1994], p.454-455), iets dat hij alleen kan hebben ontleend aan de Brief aan Henri II. Brind'Amour beschrijft een zevenvoudige millenniumstructuur die Turrel heeft gebruikt naast de vier perioden van 1750 jaar (Brind'Amour 1993a, p.183-184). Noch in Nostradamus astrophile, noch in Les premieres Centuries ou prophéties, gaat hij in op de opbouw van deze structuur. Misschien verwijst hij naar een millenniumstructuur, waarbij de Maan het zevende millennium regeert en Saturnus het achtste? Als hij het einde heeft bedoeld van het heerserschap van de Maan over het voorlaatste Grote Jaar, moet bij deze uitleg worden aangetekend dat in de structuur van Grote Jaren, zoals beschreven door Roussat, dit heerserschap wordt opgevolgd door dat van de Zon, niet door dat van Saturnus en dat Brind'Amour op deze manier zijn uitleg van kwatrijn 01-48, waarin volgens hem is gezinspeeld op de opvolgende heerserschappen van de Maan en de Zon, tegen lijkt te spreken. [tekst]

  17. Brind'Amour 1993a, p.196-197. Wat betreft het Voorwoord: facsimile-Chomarat-2000, p.35: qu'encores que nous soyon au septiesme nombre de mille qui paracheue le tout [...] (vert.: terwijl wij nu in het zevende duizendtal zijn, dat alles voleindigt [...]). [tekst]

  18. Lenoble: Nostradamus et l'éclipse du 11 Août 1999
    In de Brief aan Henri II staat twee keer de aanduiding septiesme millenaire: voorafgaand aan de eerste bijbelse chronologie en in de tweede serie voorspellingen die volgt ná de tweede bijbelse chronologie. Volgens die chronologie liggen tussen de schepping van de wereld en de geboorte van Jezus ongeveer 4173 jaar en 8 maanden. De looptijd van deze serie voorspellingen begint op 1 januari 1606. De tekst: & cela sera proche du septiesme millenaire que plus le sanctuaire de Iesus Christ , ne sera conculqué par les infideles qui viendront de l Aquilon , le monde aprochant de quelque grande conflagration,combien que par mes supputations en mes propheties le cours du temps aille beaucoup plus loing. (vert.: en dit zal dichtbij het zevende duizendtal zijn dat het heiligdom van Jezus Christus niet meer wordt belaagd door de ongelovigen die uit het Noorden komen, wanneer de wereld nadert tot een grote brand, hoewel volgens mijn berekeningen in mijn profetieën de loop der tijden veel verder zal gaan). Dit zou een verwijzing kunnen zijn naar het zevende millennium, dat loopt van 1827 tot 2827 AD, of naar het jaar 7000 AM, het jaar 2827 AD. De mededeling dat volgens de berekeningen in de profetieën de loop der tijden veel verder zal gaan, zou dan verband kunnen houden met het in het Voorwoord aan César vermelde jaar 3797.
    Brind'Amour heeft het woord millénaire consequent gebruikt in de betekenis van millennium (Brind'Amour 1993a, bijvoorbeeld in het hoofdstuk Millénaires et grandes années, p.187-197). Modern-Franse woordenboeken wijzen uit dat het Franse woord millénaire een duizendjarig bestaan of tijdperk betekent, een millennium. Het Franse woord voor duizendtal is millier; in de Brief aan Henri II is hiervoor het woord miliade gebruikt (facsimile-Chomarat-2000, p.154).
    In kwatrijn 10-74 staan in de derde regel de woorden grand eage milliesme. In modern-Frans betekent het woord millième: duizendste deel (0,001). In kwatrijn 10-74 is het woord milliesme zo te zien gebruikt vanwege het rijmen ervan op het woord septiesme in de eerste regel en is de betekenis: millennium. Het kan mogelijk zijn dat ook het woord millénaire in meerdere betekenissen is gebruikt dan alleen in de betekenis van millennium, wat de interpretatie van Lenoble in taalkundig opzicht zou kunnen rechtvaardigen.
    Roussat tenslotte heeft een keer het woord miliaire gebruikt om een millennium aan te duiden (Roussat, p.139). [tekst]

  19. Piobb, p.15. [tekst]

 

 
top

© T.W.M. van Berkel, De Meern, NL
alle rechten voorbehouden / all rights reserved

top